donderdag 30 mei 2013

Goodbye sweet sweet Indonesia


Bijna wilde ik schrijven: na drie nachten op een tropisch eiland weer terug naar het vasteland. Dom natuurlijk, want Bali is ook gewoon een eiland. Dat vergeet je wel eens hier. Bij de haven wacht Ketut, onze chauffeur, ons op. Ketut, zo wordt ieder vierde kind genoemd hier op Bali. Dat betekent dus dat hij nog drie oudere broers of zussen moet hebben. Hij legt ons uit dat zijn oudste broer al vroeg is overleden en hij deze dus niet gekend heeft. 

Ketut brengt ons naar Jasri, een klein plaatsje aan zee. Hier treffen we een fijn huisje waar we onze laatste vier nachten in Indonesië doorbrengen. In het huisje wacht Kadek ons op, onze huishoudster/kok (kokkin mag volgens Lucas niet meer). Een bescheiden, lieve vrouw die ontzettend lekker kan koken, zo blijkt. 

De eerste dag kookt ze nog niet voor ons, dus Ketut brengt ons naar een restaurant in een nabijgelegen dorpje. De volgende dag start met regen, maar warm is het hier altijd, dus lezen we wat in het prieeltje in de tuin. 'S middags bezoeken we een kleine chocoladefabriek, die toevallig gerund wordt door ene Charlie. Op de enorme schommel die zich bij deze fabriek bevindt wanen we ons weer even kind! 



Dinsdag brengt Ketut ons naar Amed om te gaan snorkelen. We zien honderden vissen en prachtig koraal. We snorkelen tot de contouren van de duikbril in ons voorhoofd gegrift staat en gaan tegen het eind van de middag weer terug naar het huisje. Voor de rest hebben we niks op de planning. 




De laatste dag, het is nog even prachtig weer. We liggen in de tuin, lezen wat en hangen in onze privé-jacuzzi. Kadek heeft heerlijk pittige vis bereid. We overdenken onze reis. Ik realiseer me dat dit voorlopig de laatste avond is dat ik, met het geluid van de golven op de achtergrond, in mijn onderbroek geniet van een authentieke Indonesische maaltijd in de warme buitenlucht.

Gili Islands


Terwijl mijn vader en Corrie liggen te chillen op Gili Meno, zijn Lucas en ik op Gili Trawangan. Een paar dagen opsplitsen leek ons een goed idee. Corrie en mijn vader romantisch in een huisje op palen. Lucas en ik feesten op het tropische politieloze party-eiland. Van dat feesten kwam de eerste twee dagen niks. Er kwam overigens de eerste twee dagen ook niks anders. 





We installeerden ons op een strandbed, bleven daar liggen totdat we trek kregen en liepen dan met een handdoekafdruk in onze wangen richting eten. Tot we de derde en laatste dag besloten dat we in ieder geval het hele eiland gezien moesten hebben. Deze heeft namelijk maar een omtrek van 6km2. 

We stapten op een fiets, en rammelden over zandpaden vol kuilen en stenen het eiland over. We kwamen langs een dorpje waar vrouwen de was doen in een teiltje en kinderen zich vermaken met een paar schelpen. De Australische en Nederlandse toeristen die zich maar een paar honderd meter verderop te buit gaan aan cocktails lijken ineens heel ver weg. 

'S middags besloten we te gaan snorkelen en waren beide blij verrast toen we een schildpad ontdekten tussen het dode koraal! Prachtig! We snorkelden en snorkelden tot we, jawel, trek kregen. Terug bij onze bungalow spraken we af met de 27-jarige beheerder om samen de zonsondergang te bekijken. Hij bracht ons bovenop een heuvel met een fantastisch uitzicht, we konden zelfs Bali zien. 


In het donker terug naar de bungalow vertelde hij ons grappige gebeurtenissen uit zijn leven. Hij vertelde over die keer dat hij en zijn vrienden een drol voor een gebakken banaan aanzagen omdat ze zo'n honger hadden, over die keer dat zijn vriend uit een palmboom viel terwijl ze kokosnoten aan het stelen waren en hij bij de klap dacht dat het wel een hele grote kokosnoot moest zijn. Toen hij ons vroeg of wij een grappige belevenis wilden vertellen realiseerden we ons beide dat ons leven zo ontzettend van die van hem verschilt. We spraken hier een hele tijd over en vertelden hem over ons leven en hij over dat van hem.

'S avonds nam hij ons mee naar de maandelijkse Full Moon Party. We voerden hem dronken (dat wil zeggen, we gaven hem drie biertjes en toen was hij dronken), dansten een uurtje en zwalkten terug naar onze bungalow. De volgende dag wees hij naar zijn hart en zei hij dat hij pijn had, we moesten over een paar maanden maar terugkomen. We legden uit dat zelfs onze portemonnee daar niet groot genoeg voor zou zijn. 

Aapjes kijken

Zondagochtend dus met de boot naar Bali. We lieten onze de weg wijzen door een willekeurige man bij de haven. Nu is het zo dat Indonesiërs vaak gewoon maar een kant op wijzen. We vermoedden dat dit ook zo'n gevalletje was. We belandden hoogstwaarschijnlijk niet op de boot die we eigenlijk moesten hebben, maar er leiden meer wegen naar Rome, eh Bali. 

Op Bali wachtte Ketut ons op, de chauffeur die ons naar het guesthouse in Ubud zou brengen. Het meisje op het tv-schermpje in zijn auto zong "I pick all my skirts to be a little too sexy, just like all of my thoughts they always get a bit naughty" en zo werden we direct geconfronteerd met de andere wereld die Bali heet. 

We zijn in Ubud, de culturele hoofdstad van Bali. Rustiger dan we tot nu toe van Indonesische steden gezien hebben, maar wel veel toeristischer. Lucas noemde het cultuurshock nummer 3, hij moest weer wennen aan al die pigmentloze huid om ons heen. De eerste dag begonnen we met een wandeling door de stad. Nadat we om de zoveel meter werden aangesproken door zogenaamde taxi-chauffeurs hadden Lucas en ik het wel gehad. Wij wilden het terras op en een koude watermelon-juice drinken. Mijn vader en Corrie hebben nog even gewinkeld. 





Dinsdag maakten we, zonder gids die ons de stuipen op het lijf kon jagen, een wandeling door de rijstvelden van Ubud. Vlak buiten de stad was het prachtig groen. We begrepen snel waarom, halverwege de wandeling stortte het hemelwater op onze onbeschutte hoofden. Die avond bezochtten we een dansvoorstelling, de Kecak, oftewel Apendans. De dans werd begeleid door een koor van 100 mannen, het verhaal ontging ons op dat moment een beetje, maar dat zoeken we op! 

Als afsluiter wilden we een biertje drinken en kwamen terecht in een café waar zonder twijfel de slechtste band van heel Indonesië optrad. Ik heb mijn vader en Corrie nog nooit zo snel een biertje achterover zien tikken. 

De volgende dag bezochtten we het Monkey Forest, een heilig bos met drie tempels die bewaakt worden door 600 apen. Corrie heeft noodgedwongen haar flesje water af moeten staan aan een dorstige makaak, maar verder leken ze zich weinig te interesseren in ons. Wij ons des te meer in hen.




'S middags hebben mijn vader en Corrie nog even gewinkeld. Ik heb, met uitzicht over de oneindig lijkende rijstvelden, anderhalf uur yoga-les gehad van een lenige Indonees. Helemaal zen liep ik samen met Lucas (die mij op stond te wachten met een paraplu, awwww) door de regen terug naar het hotel. Op naar the Gili-Islands!

Namasté.

vrijdag 24 mei 2013

The last of Java


Zoveel indrukken, zoveel belevenissen (+ twee manfiguren die de laptop confisqueren). Dan schiet het schrijven er wel eens bij in. De laatste keer dat ik schreef zaten we in de trein naar Kalibaru. Daar arriveerden we om 03.30u 's nachts op het station en werden we opgehaald door de Rotterdammer Peter. Hij bracht ons naar zijn guesthouse, een prachtig complex met een nog prachtigere (is dat een woord?) tuin. 



Een oase vol palmbomen, bananenbomen, een zwembad en allerlei boeddhabeelden. Hier konden we de komende drie nachten zeker rustig doorbrengen, dachten we. Totdat we de muezzin hoorden. Deze roept vanaf een minaret van de moskee een aantal keer per dag op tot gebed. Dit zijn we inmiddels gewend en meestal duurt dat een paar minuten. Deze beste man was, leek het wel, de ganze koran aan het voorlezen. Urenlang was hij bezig met iets onverstaanbaars. Gelukkig waren we moe van de treinreis en vielen we uiteindelijk toch in een korte slaap. 

De volgende dag op pad met Sariman. De bewaker/porter/lokale gids van het guesthouse. Hij, in oranje Holland shirt, voorop in stevige pas. We kwamen door rijstvelden, aten suikkerriet zo van het land en bezochten een kleine gula djawa (palmsuiker) fabriek. Onderweg kwamen we nog een paar grote achtvoeters tegen, deze keer genoeg moed om een foto te maken. Zoals onze eerdere gids in Bogor, vond Sariman het ook leuk om ons te pesten door het beest op te pakken. Dat we alle vier als gillende keukenmeiden door het woud renden weerhield hem er niet van om ons dwars door de bush te sturen. En maar goed ook, want het was prachtig. 



Zaterdag op pad met Peter, de eigenaar van het guesthouse. De vriendelijke Rotterdammer die gebukt gaat onder groot verdriet om het verliezen van zijn vrouw. We bezochten samen met hem een grote plantage waar cacao, rubber, koffie en kruidnagel verbouwd en verwerkt wordt. Hij vertelde dat er zo'n 1500 mensen op deze plantage werken. Deze mensen verdienen niet veel, maar hebben een relatief goed leven. Ze krijgen verzorging bij ziekte en bouwen op de plantage aan een klein pensioen. Dat geldt helaas voor de meeste Indonesiërs niet. 

Dit was onze laatste dag op Java, zondagochtend gaan we met een busje naar Padangbai, waar onze boot naar Bali wacht. 

vrijdag 17 mei 2013

De Dingen Die Ons Opvielen


Op het moment van schrijven zitten we in de trein van Yogyakarta naar Kalibaru. Een reis van  drie uur 's middags tot drie uur 's nachts. We kunnen maar kort genieten van de rijstvelden die aan ons voorbijschieten want om vijf uur is het al donker buiten. Mooi de tijd om een blogje te schrijven. Vandaag een algemene, over 'de dingen die ons opvielen'. 

Cebok
Allereerst, iets waar we vanzelfsprekend dag één al mee in aanraking kwamen. Het toilet. Nou is het zo dat Indonesiërs een hurktoilet bezitten, maar de guesthouses meestal een pot zoals wij hem kennen. Het ontbreekt echter vaak wel aan toiletpapier. In plaats daarvan hangt er een soort tuinslang met een kleine douchekop aan het eind. Met rechts houd je de tuinslang vast en met links was je, ja met je blote hand, je billen. Cebok noemen ze dat hier. Daarom eten Indonesiërs niet met hun linkerhand. 

De eerste keer dat ik het probeerde richtte ik niet goed, dus het enige dat schoon achterbleef was de muur achter het toilet. De tweede keer spoot de waterstraal regelrecht mijn broek in. Oefening baart kunst, hoop ik maar.

(Niet mijn enige gevalletje van onhandigheid deze vakantie. Ik zakte al door een ligstoel bij het zwembad, gleed twee keer van een dijkje een blubberig rijstveld in, stapte in het donker bovenop een glibberig dier, liet een wc-rol in de pot vallen, legde mijn handen op een spinnennest en zag een groene peper aan voor een stuk paprika.)

Verkeersmannetjes
Het tweede dat ons opviel zijn de, zoals wij ze noemen, verkeersmannetjes. Bij ieder druk kruispunt of onoverzichtelijke uitrit staat er wel één. Een man met een fluitje die het verkeer regelt en ervoor zorgt dat auto's veilig het kruispunt over komen of veilig een uitrit afrijden. In werkelijkheid is het een wildfluitend om zich heen wuivend mannetje die niet heel veel respect afdwingt bij de overige verkeersdeelnemers. Toch komt er altijd een armpje uit de auto en ontvangt het verkeersmannetje een paar rupiahs. Fascinerend om naar te kijken.





Selemat tidur
Het is niet vreemd als je tijdens een wandeling een handjevol slapende mensen tegenkomt. Becak-rijders die even een dutje doen in hun fiets, mensen die terugkomen van de markt en halverwege op straat in slaap zijn gevallen, beveiligers die nog met de portofoon aan hun mond de ogen sluiten. Het maakt me weeïg, zo aandoenlijk vind ik het om te zien hoe ze als vermoeide baby's zo diep kunnen slapen in deze hectische wereld.






Vuilnisverbranding
De eerste keer dat we ergens een stinkende rookpluim zagen waren we half in paniek in staat om 'brand!' (eerst even opzoeken in onze hoe&wat in het Indonesisch) te roepen en de brandweer te bellen. Totdat we zagen dat er iemand bij een vuur stond die hij bewust aangestoken leek te hebben. Met een stok hield hij de boel wat bij elkaar. De plaatselijke vuilnisverbranding. In elke straat ligt wel een vuilnisbelt die zo nu en dan in de fik gezet wordt. 

Aneka juice
Het beste van allemaal, in elk restaurant of café verkopen ze vers fruitsap! Geen concentraat, geen voorgeperst sap, maar vers geblendeerde mango-, watermeloen-, zuurzak-, ananas-, aardbei- en/of bananensap! Op die ene na die naar penicilline smaakte, zijn ze heerlijk fris en gunnen we onszelf iedere dag zo'n fijn sapje. 

dinsdag 14 mei 2013

Hey mister, batik, cheap batik!

Het is alweer een paar dagen geleden dat we de geboortestad van mijn vader verlieten. We zitten inmiddels in Yogyakarta, een minder hectische stad (in vergelijking met Bogor en Bandung) waar mijn oma voor de oorlog nog heeft gewoond. We namen zaterdagochtend de trein vanuit Bandung en reden door prachtig groene rijstvelden die uiteindelijk hetzelfde hypnotiserende effect hadden als schaapjes tellen. Het grootste deel van de reis heb ik slapend doorgebracht en de rest van de familie kon het knikkebollen ook niet tegenhouden. 




Eenmaal in Yogyakarta zagen we direct al dat we in toeristischer gebied waren. We bleken niet meer de enige blanke mensen op aarde te zijn. Moe van de reis, na al dat slapen ja, besloten we niet veel meer te doen. De volgende dag bezochten we een batikfabriek en zagen hoe batik met de hand werd gemaakt. Een, soms wel maandenlang, proces van waxen, verven, koken, waxen, verven, koken. Leuk om te zien, maar het verschil tussen echte batik en de zogenoemde 'Coca Cola batik' is ons nog niet duidelijk.

We liepen verder, op weg naar de vogeltjesmarkt. Een markt waar allerlei, helaas ook beschermde, vogelsoorten worden verkocht. We baanden ons een weg door de honderden geparkeerde scooters en lieten ons opnemen in de naar vogelpoep riekende markt. Honderden vogeltjes, kaalgeplukte kippen en gekleurde kuikens piepten en kakelden alsof hun leven er vanaf hing. Hoe dieper we kwamen hoe erger het werd. Puppy's, kittens, eekhoorntjes, alles was te koop. Genoeg indrukken voor vandaag. Terug naar ons guesthouse. 






Dag 3 in Yogyakarta, het is maandag en we willen het paleis van de sultan bezoeken, de/het kraton. Helaas voor ons is het gesloten vanwege hoog bezoek uit Jakarta. We ontmoetten een gamelanspeler die ons in een becak (fietstaxi) richting de kunstacademie stuurde. Twee mannetjes fietsten ons voor minder dan twee euro de halve stad door. Heuvel op, met een graad of 30. Ik kan er nog niet aan wennen en voelde me een rijke blanke die te lui was om te lopen. Na een batik-art expositie liepen we terug door de hoofdstraat en om de zoveel meter hoorden we "Hey mister, batik, cheap batik!" 

Uitgeput van het wandelen en afwimpelen van verkopers ploffen we neer in een familiecafé naast het waterkasteel van de sultan. We bestellen nasi goreng en gado-gado, de hele familie duikt de keuken in en even later genieten we van een verse maaltijd. Al die rijst komt ons nog steeds niet de neus uit. (Alhoewel Lucas stiekem één keer een hamburger met friet heeft besteld, sshht....)





Vandaag een bezoek aan de Borobudur en de Prambanan! Een chauffeur bracht ons eerst naar de grootste boeddhistische tempel ter wereld, de Borobudur. Met de wijzers van de klok mee lopen we terras voor terras naar de top. Volgens het boeddhisme een stap dichterbij de verlichting. Dan moet je hem alleen wel 7 keer rond, maar we moesten binnen twee uur weer beneden zijn van de chauffer, dus tsja.. Eenmaal beneden bleek het een hele opgave om ons als een baby uit de baarmoeder van souvenirverkopers te persen, maar toen we eenmaal weer lucht kregen waren we blij en onder de indruk van het enorme bouwwerk. 

Als afsluiter naar het grootste hindoe-tempelcomplex van Indonesië, de Prambanan. Een groot gedeelte van de tempel is door de aardbeving in 2006 verwoest, maar alsnog is het ook een indrukwekkende plek. Morgen onze laatste dag in Yogyakarta. We hebben lekker helemaal niks op de planning. Alle vier hebben we een dagje nodig om de indrukken van de afgelopen 11 dagen te verwerken. Soms is het vermoeiend en heftig om rustig te blijven in de hectiek van dit land. Gelukkig is het meestal mooi en genieten we van de uitzichten, het leven buiten en natuurlijk

vrijdag 10 mei 2013

We found the roots!

Gister voelde ik voor het eerst iets wat men denk ik een cultuurshock noemt. Ik hing een beetje met mijn hoofd uit het raam van de taxi en terwijl mijn longen zich vulden met uitlaatgassen realiseerde ik mij dat ik naar een wereld keek die zo ver bij die van mij vandaan ligt. Overal mensen, overal armoede en overal vuil. Je ondergaat het als je hier bent, want het hoort bij dit land, het is het leven van de mensen hier. Even wist ik niet wat ik moest voelen of denken.

We waren onderweg naar de Tangkuban Perahu, een actieve vulkaan ten Noorden van Bandung. Eenmaal daar bleken we niet de enigen, half Bandung was namelijk vrij in verband met een feestdag. Een lokale gids begeleidde ons naar een krater waarin we lavasteen, zwavel en een kokend hete geiser bekeken. Van de overige 5 gidsen die steeds al met ons meeliepen hebben we veel te dure souvenirs gekocht. Nee zeggen vinden we heel moeilijk hier, maar dat leren we wel. 





De chauffeur bracht ons later via groene theeplantages naar een park met heetwaterbronnen. We hadden zwemkleding meegenomen, maar zwemmen kwam er niet van. Het stikte er van de mensen, vanwege die feestdag dus, en zodoende kon je over de hoofden lopen. Iedereen zwom trouwens in t-shirt en korte broek, dus ik sloeg ook volledig de plank mis met mijn felgekleurde bikini'tje.  

Vandaag een spannende dag! Het bezoek aan Jalan Sirnasari 3, het huis waar mijn vader tot zijn 7e heeft gewoond. We waren er gister al even om een briefje af te geven voor de huidige bewoonster, juffrouw (geen mevrouw hoor!) de Vries. Toen konden we alleen de voorgevel  zien vanachter een groot hek. Ze belde later en wilde ons vandaag graag ontvangen. Een eenzame lieve vrouw die ons heel hartelijk begroette met een tafel vol lekkere hapjes. Ze vond mijn vader een hele knappe man en leek te genieten van ons bezoek. Ze vertelde dat ze helemaal alleen was, haar kinderen en man was ze verloren.





Na een kop thee en teveel lekkers ("aduh, nemen ja") liepen we naar de tuin. Achter het huis was een personeelsverblijf en mijn vader dacht te herinneren dat ze daar vroeger woonden. Juffrouw de Vries wees naar het bijhuis aan de zijkant en vertelde dat Margriet (mijn tante, mijn vaders zus) zei dat ze daar hadden gewoond. Ineens zag ik de herkenning in mijn vaders ogen, nu wist hij het weer! Dat was inderdaad hun huis. Een mooi moment en ook voor Lucas en mij bijzonder om te zien. 

We mochten niet weg zonder drie zoenen en twee tassen vol pisang goreng en andere zoetigheden. Over een paar jaar moesten we maar weer terugkomen. 

- Stephanie




Ja,eindelijk na meer dan 56 jaar weer terug naar het huis waar ik van mijn geboorte tot mijn 7e jaar heb gewoond.
Het was toch een aparte gewaarwording,niet dat ik nog veel van kan herinneren,maar het idee dat ik er ben,is toch heel byzonder.
In mijn gedachte was het huis waar we woonden recht tegenover de oprit,maar in werkelijkheid zat het tegen het hoofdgebouw aangebouwd en zoals Stephanie al verwoorde kwam uiteindelijk bij mij de herinnering,dat we daar moeten hebben gewoond.
Kon toen weer de slaapkamer van mijn broers  voor de geest halen.
Wat ik me kan herinneren is,dat er een grote haag tussen de buren en ons huis was,maar dat er nu een muur van wel 3 meter hoog met prikkeldraad staat.
De straat is in mijn ogen smal,terwijl het vroeger veel breder was.
Al met al is het een goed idee geweest van Stephanie en Lucas om naar mijn roots te gaan,zodat ook zij kunnen zien waar hun vader gewoond heeft en zijn jeugd heeft doorgebracht.

- Loet,




woensdag 8 mei 2013

Bandung

Vandaag zou ik eigenlijk niks schrijven, maar het regent al een tijdje dus toch even een verhaal!

Gisteren zijn we aangekomen in Bandung, de stad waar mijn vader is geboren. We zijn met de bus vanuit Bogor gekomen, een reis die 3,5 uur duurde, maar dik in orde was want we hadden airconditioning. Een klein Indonesisch meisje heeft de hele reis gefascineerd naar Lucas gekeken en wilde uiteindelijk toch wel graag met hem op de foto. Het blijft een vreemde gewaarwording, al die starende ogen.




Eenmaal in Bandung werden we van alle kanten besprongen door mannen die ons wel naar het hotel wilden brengen. In de boekjes lazen we over allerlei betrouwbare taximaatschappijen, deze mannen stonden zeker niet in dat lijstje, maar we lieten ons uit gemak toch door één van hen naar zijn busje leiden. Na een stevige prijsonderhandeling stapten we in een zwarte bus, althans dat wat er van over was. De uitlaat was lek, Lucas zijn raam had geen hendel, er druppelde water bij mij en Corrie op schoot en Lucas kon de weg zien tussen zijn voeten. We vonden dat je zoiets ook mee moest maken hier en accepteerden ons lot. 

(Overal zie je mensen die hun best doen om wat geld te verdienen. Schoonmaakdoekjes verkopen tussen auto's op de snelweg, tuingereedschap verkopen aan de straatkant, hapjes verkopen in de bus of mensen vervoeren in een busje die je bij ons alleen op de sloop tegenkomt. Die bedrijvigheid heeft iets heel moois, maar soms ook iets verdrietigs.)




Het was nog een beetje gedoe om het juiste hotel te vinden, maar eenmaal aangekomen wachtte een hele aardige jongen ons op en bracht ons naar de kamers. 's Avonds in een leuk restaurant een heerlijke rijsttafel gegeten (het eten is hier tot nu toe heerlijk) en vroeg naar bed.

Vandaag maakten we een jalan-jalan, een wandeling, door het oude centrum van Bandung. Tussen de enorme gebouwen, honderden voorbij razende auto's en scooters vonden we het kleine Tourist Information Centre. Een bijna tandeloze vriendelijke man (die we nu 'de rijstkorrel' noemen vanwege een rijstkorrel die continue aan zijn lip bleef hangen) hielp ons met het boeken van de excursie die we morgen doen. Als hij tijd had, ging hij ook mee. Toen we weggingen bleef hij maar roepen: 'poorzichtig hoor, poorzichtig poor zakkenrollers'.

Nadat we al veel hadden gelopen besloten we met een 'groen busje' terug te gaan naar ons hotelletje. Het was zo'n zelfde soort busje als eerdergenoemd zwart busje. Deze had alleen als extraatje geen deur. Indonesiërs gebruiken mondkapjes tegen het inademen van de uitlaatgassen, wij onze sjaals. 




Tegen de avond begon het hard te regenen. We moesten nog eten, maar wilden niet in de regen op zoek naar een restaurant dus besloten we op dezelfde plek te eten als gister. Deze keer wilden we alleen wel wat anders eten dan eerder en zo verwarde ik per ongeluk het Indonesische woord voor geit (kambing) met dat voor kat (kucing) en hadden we bijna katten-sateh op ons bord liggen..

maandag 6 mei 2013

Mr. Gary

De kolonie mieren waar ik het de laatste keer over had is inmiddels uitgebreid met Tjitjaks (gekko's), spinnen, vleermuizen en heule grote kevers. Dat we een heleboel, voor ons onbekende, beestjes zouden tegenkomen in Indonesië dat wisten we. We wennen er al aan, maar gillen/springen/rennen schrikken doen we toch ook wel een beetje. Behalve papa, die niet. Die is heel stoer. 

De tjitjaks zijn lief. Ze komen tevoorschijn als het begint te schemeren. Ze trippelen overal over de muren en op het plafond, maar komen nooit bij ons in de buurt. Dan heb je de vleermuizen. Ook die worden actief tijdens de schemering, ze vliegen hysterisch langs en over ons balkon. Ook die zijn niet erg, want die raken je nooit. De kever, die is minder leuk. Hij is namelijk zo groot als een pingpongbal en heeft enorme scharen. Hij blijft maar terugkomen en vloog vandaag al tegen Lucas zijn kop. Mijn vader stuurt hem gelukkig steeds weg met de deurmat. 

Dan de spinnen. De grootste die we tot nu toe hebben gezien is zo groot als mijn hand! Mijn hand! Hij hing tussen twee bomen en toen ik hem zag schrok ik. Onze gids Dari, met wie we op dat moment een wandeling maakten, moest een beetje lachen. Hij bleef maar zeggen 'no poison, no poison' en gaf het enorme beest een aai. Zelfs mijn teenharen gingen recht overeind. Ik probeerde uit te leggen dat ik nog nooit zo'n grote spin had gezien en het me niet uitmaakte of hij giftig was of niet, ik zou het dier toch nooit van mijn leven aanraken. Hij leek maar niet te begrijpen dat we schrokken van die labah-labah die niet gevaarlijk was. 

Tijdens de wandeling kwamen we door een echte Kampung. Een heel klein Indonesisch dorpje, of eigenlijk meer een groepje hele kleine huizen bij elkaar. We kochten aan de straat wat snoep voor de kinderen daar. Die hadden vakantie en kwamen lachend op ons afgerend. Het Engelse woord 'candy' kenden ze maar al te goed. We liepen door naar de sawa's, de rijstvelden (waar Corrie en ik nog in wegzakten waardoor de gids bijna in zijn broek plaste van het lachen), en zagen onderweg bananen, papaya's, chilipepers, citroengras en boontjes in groei. 






Wandelen was ook het motto van vandaag. De botanische tuin is de grootste bezienswaardigheid van Bogor. Aldaar bleken wij voor de Indonesiërs een bezienswaardigheid. De mensen draaiden hun hoofd om, keken omhoog (naar Lucas, want reusachtig hier) en zwaaiden naar ons. Vlak voordat we een wiebelende hangbrug over wilden riep een meisje 'miss, picture' naar mij en ik dacht dat ik een foto van haar moest maken. Het omgekeerde was het geval, ze wilde met mij op de foto. En niet alleen zij, nog een tiental schoolkinderen. Met mijn rode, bezweette hoofd gaf ik ze mijn beste ongemakkelijke glimlach. 

Na de tuin moesten we even naar het treinstation, om kaartjes te kopen, wat achteraf gezien helemaal niet kon. Foutje, bedankt. We hebben de weg er naar toe lopend afgelegd en zagen onderweg het stadse Indonesië. Alles wat je maar kan bedenken kwamen we tegen, alles behalve toeristen. Papa keek wat twijfelachtig naar de drukke weg die we moesten oversteken en vroeg zich de eerste keer af hoe we in godsnaam aan de overkant kwamen. De keren daarna liep hij als een volleerde Indo al wuivend naar de auto's de straat over. Gewoon doen. 




In een grote shoppingmall dronken we cola en wachtten we op onze chauffeur. Corrie en ik wilden even winkelen en papa en Lucas sjokten achter ons aan. Een aantal schoolmeisjes begonnen te lachen naar Lucas en konden hun ogen niet van die lange Orang Blanda afhouden. Ze giechelden en riepen hem na: "Goodbye Mister Gary!" 

We hebben nog steeds geen idee wat dat betekent...

(In tegenstelling tot het centrum van Bogor kwamen we wel wat Orang Blanda's tegen in het Guesthouse. Tijdens het eten kwamen twee Hollanders binnen en Lucas dacht voor 80% zeker te weten dat het zijn oude leraar van het Friesland College was. Dat bleek ook zo. Toen het stel verderop hoorde dat we over het Friesland College praatten riep de vrouw; daar werk ik ook! Acht Leeuwarders die elkaar ontmoetten in een klein guesthouse in een dorpje genaamd Happy Village, what are the odds?)

zaterdag 4 mei 2013

The eagle has landed!

Op moment van schrijven is het hier 15.00 uur. Bij jullie is het nu 10.00 uur. We zijn van deur tot deur zo'n 24 uur onderweg geweest, maar we zijn er! Veilig en wel.

Vrijdag vertrokken we rond 07.45 uur uit Leeuwarden, iets later dan gepland doordat Stephanie haar portemonnee was vergeten, en arriveerden ruim op tijd op Schiphol. Met dank aan onze chauffeur Marten! Over het vliegen valt niet zoveel te vertellen. We keken wat films, hadden hier en daar wat turbulentie, papa maakte een puzzel, Corrie las een boek, Lucas en ik speelden yahtzee en zeeslag via de entertainmentschermpjes en voor we het wisten stonden we aan de andere kant van de wereld. Na een overstap op Kuala Lumpur konden we al snel doorvliegen naar Jakarta.

Daar stond een kleine Indonesische man met peper- en zoutkleurig haar ons op te wachten. Precies zoals ik het me voorstelde, zo één met een typisch Indonesisch shirt aan en van die slofjes. Hij groette ons enthousiast en sprak zelfs redelijk Nederlands! Toen we bij de auto stonden zei mijn vader: "ga jij maar voorin". Dat heeft me tien jaar van mijn leven gekost. De verhalen die je hoort over het verkeer in Indonesië, daar is niets over gelogen. Met vijf auto's naast elkaar op een driebaansweg, dat kan prima. Rijden over een verdrijvingsvlak / vluchtstrook / dubbele doorgetrokken streep. Daar doet ook helemaal niemand moeilijk over. 

Daar zaten we met z'n vieren, compleet oververhit, moe en een tikkeltje angstig. We waren half uitgedroogd omdat we geen water hadden meegenomen vanaf het vliegveld (in alle opwinding vergeten), maar het laatste beetje vocht in ons lijf kroop uit elke porie en liet een zompig plasje achter in de warme bekleding van Achmed's bus. Hij bleef er zelf vrij cool onder. Tijdens het afsnijden en bumperkleven wist hij ons nog te vertellen dat de totale populatie van Jakarta uit 12 miljoen mensen bestaat! "Zoveel mensen, zoveel problemen" zei hij in het Nederlands. 


We zijn dan ook blij dat we een andere plek dan Jakarta hebben uitgekozen om een paar dagen te acclimatiseren. Dit uitzicht, vanaf ons gezamenlijke balkon, doet de vermoeiende en lange reis namelijk heel snel vergeten! 





We zitten nu vlak buiten Bogor en blijven hier drie nachten. Vandaag en morgen gaan we lekker een beetje zwemmen in het fijne zwembad hier en bijkomen van de reis. Maandag staat een tripje naar de botanische tuin op de planning en dan vertrekken we dinsdag richting Bandung. 

Zo, nu eerst even een kolonie dikke mieren van mijn been jagen..